• iet.timmermans

Marginaal

ALKMAAR Van een echte Amsterdamse, die verliefd werd op Alkmaar. Opgegroeid in de 60'er-jaren. Met veel muziek, boeken en 'wij'. Die kinderen en kleinkinderen kreeg, een kwart eeuw in het krantenvak zat en nog steeds nieuwsgierig en kritisch is.

Bleekneusje

Er waait een föhn wind door Nederland, de mussen vallen bijna dood van het dak en ik vraag mij af of ik asociaal ben als ik de tuin sproei. In de meeste tuinen is die vraag niet aan de orde. Er wordt namelijk gereisd. En dan houd je je niet bezig met de tuin thuis. Dat zie je wel weer als je terugkomt. Ik hoor van kinderen in de buurt waar ze naartoe gaan. Per vliegtuig of auto. De een nog verder dan de ander. Kamperen op Vlieland is lange tijd onze bestemming geweest. Met onze 'De Waard' tent. Die prachtig, mooie tent. Die altijd strak stond. Zelfs bij harde wind. De kinderen leefden 3 weken op het strand dat op 100 meter lopen van onze tent lag. Hoe mooi kun je het hebben? De mannen van Circus Custers kwamen ze 's avonds halen. Zij gingen langs alle tenten en als rattenvangers van Hamelen voerden ze alle kinderen naar een plek waar ze een geweldig programma kregen voorgeschoteld. Ze hebben er goede herinneringen aan. Ooit was ik een zogenaamd 'Amsterdams bleekneusje'. Geboren in de jaren na de oorlog was er geen geld voor een vakantie. Geen auto en al helemaal geen vliegtuig. Jarenlang mocht ik naar de Vakantieschool. Dan moest je je elke dag melden in de speeltuin waar een bus stond te wachten. Steeds was het weer een verrassing waar we heen gingen. Een grote speeltuin, een zwembad, een dierentuin of een lekker speelbos. Geweldig vond ik dat. Maar, in een bepaald jaar was het anders. Op medisch advies moest ik 6 weken naar een zogenaamd 'koloniehuis'. Het werd Antonius in Bakkum. Ook nu weer in een bus. Met volslagen vreemde kinderen en niet die uit de buurt, zoals naar de Vakantieschool. Het was beter voor mij, zeiden ze. Om aan te sterken, buiten te zijn. Zó bleek vond ik mijn neus nou ook weer niet. In Bakkum werd ik volgestopt met pap en boterhammen. Er werd 's middags geslapen, gezamenlijk gedoucht en krankzinnig veel gewandeld voor een stadskind. Ik vond het helemaal niets. Nog steeds bestaat Antonius. Als ik er nu over lees, komen altijd de herinneringen boven. Er verblijven nu kinderen die vanwege medische redenen een tijdje uit huis worden geplaatst. Ik zie de lange, betegelde gangen voor mij. De slaapzalen, de grote doucheruimten en eetzalen. Hopelijk is dat allemaal verdwenen en heeft die praktische jaren '50 bouw plaatsgemaakt voor een meer huislijke sfeer waar niet alleen de neuzen van opfrissen.

Marge